Dutch language English language

Voorproefjes - Puberparadox (11-4-2009)

 

Het ‘onaangepaste’ gedrag van pubers is normaal en zelfs nuttig, aldus hoogleraar Ron Dahl. Pubers zijn echter wel kwetsbaar. Een klein duwtje de ene of juist de andere kant op kan een groot verschil maken.

Door Nienke Beintema

 

‘Er staat veel op het spel,’ stelt Ron Dahl. ‘De problemen van pubers in onze huidige maatschappij zijn zowel enorm als complex.’ Dahl, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie aan de Universiteit van Pittsburgh, verblijft zes weken als gasthoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij de prestigieuze Révèsz-leerstoel bezet. Tot begin maart geeft hij enkele seminars over de interacties tussen hersenen en gedrag tijdens de adolescentie. In zijn Amsterdamse werkkamer neemt hij de tijd om zijn visie toe te lichten.

‘Laat ik vooropstellen dat veruit de meeste pubers het prima doen,’ zegt Dahl, ‘maar zelfs als slechts een half procent problemen krijgt, dan gaat het om enorme aantallen mensen.’

De puberteit, zo vertelt hij, is een periode van paradoxen. Allereerst is er de gezondheidsparadox. Fysiek gezien is de puberteit zo ongeveer de gezondste periode van ons leven. Pubers zijn sterker, sneller en flexibeler dan mensen van andere leeftijden. Hun immuunsysteem werkt beter en ze kunnen beter tegen hitte, kou en pijn. Toch hebben pubers drie keer meer kans om te overlijden dan jongere kinderen. Niet aan ziekten, maar aan de gevolgen van alcohol, drugs, verkeersongelukken, ander risicovol ‘probeergedrag’ en depressies. Overlijden is natuurlijk het uiterste, maar Dahl noemt deze statistiek om de kwetsbaarheid van pubers te illustreren: pubergedrag kan ernstige gevolgen hebben.

 

Risico inschatten

De tweede paradox is dat pubers weliswaar ‘slimmer’ zijn dan jongere kinderen – ze kunnen bijvoorbeeld beter redeneren en complexere dingen begrijpen – maar tegelijkertijd regelmatig ‘stomme dingen’ doen die een negenjarig kind nooit in zijn hoofd zou halen. ‘Het is niet dat pubers de gevolgen van hun gedrag niet kunnen overzien,’ zegt Dahl. ‘Dat is een wijdverbreid misverstand. Ze weten best dat het niet verstandig is om keihard zonder helm met een brommer middenop de weg te rijden, maar ze doen het toch.’

Het probleem, zo meent hij, zit hem in de vertaling van weten naar handelen. Daar hebben veel pubers moeite mee. ‘Als je pubers vraagt naar de mogelijke gevolgen van hun gedrag, dan weten ze die meestal feilloos op te noemen,’ zegt Dahl. ‘Ze zullen ook zeggen dat ze eraan dood kunnen gaan, en waarschijnlijk zelfs dat ze het leven van hun ouders daarmee zouden verwoesten. Maar ze voelen het niet echt. Emotioneel begrijpen doen ze het niet.’

Daarin zit hem de crux, benadrukt Dahl. Tegenwoordig lezen we veel over het feit dat de frontale hersenschors van pubers nog niet voldoende is gerijpt, waardoor pubers moeite hebben met ‘hogere’ cognitieve functies, zoals plannen, de gevolgen van daden inschatten en zich inleven in anderen. Maar dat is volgens de Amerikaanse hoogleraar slechts een deel van het verhaal. Wat minstens zo belangrijk is, is de emotionele vertaling. ‘Pubers kunnen risico’s op een volwassen manier analyseren,’ stelt hij. ‘Sterker nog, ze hebben de neiging risico’s te overschatten, bijvoorbeeld de kans dat ze zullen doodgaan of aids zullen oplopen. Maar wat is de emotionele betekenis van doodgaan? Sommige pubers hebben het gevoel dat het niet uitmaakt als ze dood zijn.’

Het puberale risicogedrag hangt volgens Dahl niet samen met een gebrek aan angst. ‘Ons onderzoek laat zien dat pubers juist gevoeliger zijn voor angst,’ zegt hij. ‘Het niveau van stresshormonen neemt bij hen bijvoorbeeld sneller toe dan bij jongere kinderen. Interessant is dat er bij pubers tegelijk met het angstsysteem iets anders overactief is: het beloningssysteem. Daardoor beschouwen pubers angst eerder als opwindend. Ze zijn geïntrigeerd door de grenzen van hun angst en zijn sterk geneigd daar overheen te gaan.’

Dat is evolutionair goed te verklaren, meent Dahl. Als je nooit over je grenzen heengaat, zul je ook nooit nieuwe dingen leren. Dat was al zo toen we jagers waren: iemand die nooit een dier durft aan te vallen, zal nooit een goede jager worden. ‘Risicovol pubergedrag dient een doel,’ concludeert Dahl, ‘dus we moeten dat niet blindelings de kop willen indrukken. De brave pubers worden niet per se de beste wereldburgers. In tegendeel, zou ik bijna zeggen.’

 

Succesfactoren

Zo komt Dahl uit bij een derde paradox van de puberteit. De puberteit is weliswaar een periode van grote risico’s, maar ook van kansen. De emotionele vertaling van rationeel begrip is volgens hem namelijk te leren. Hij noemt de vroege puberteit, zo tussen negen- en dertienjarige leeftijd, een window of opportunity. Met gerichte begeleiding op die leeftijd zijn veel problemen te voorkomen en zelfs te verhelpen.

Als analogie noemt Dahl het leren van talen. Kinderen kunnen tot de vroege puberteit moeiteloos meerdere talen vloeiend en accentloos leren spreken. Na die periode wordt dat veel lastiger. Zo zijn er ook bepaalde gevoelige perioden waarin mensen de basis leggen voor hun latere gedragspatronen. Een bekende sleutelperiode is de baby- en peutertijd, waarin veel dingen fout of juist goed kunnen gaan. Dahl stelt dat ook de vroege puberteit zo’n periode is.

‘Zodra geslachtshormonen onze hersenen beginnen te beïnvloeden, in de vroege puberteit,’ zegt hij, ‘worden we ons bewust van de factoren die iemand succesvol maken. Die variëren enorm tussen samenlevingen. Bij jagers gaat het om het aantal gedode dieren. Bij Yanomami-indianen ligt de nadruk op extreme vormen van moed. In Tibet gaat het erom wie het bedachtzaamst, het geduldigst en het meest genereus is. En bij ons? Bij ons ben je succesvol als je een drukke baan, een mooie auto en een groot huis hebt.’

Jonge pubers zijn dus volgens Dahl extra gevoelig voor bepaalde signalen uit de omgeving. Hun hersenen zijn in die periode extreem flexibel: ze kunnen nog alle kanten op. Het enige wat pubers biologisch gezien nastreven, is succesvol worden. Dahl: ‘Als dit model correct is, dan is juist dat vroege puberteits-window heel erg belangrijk. We vermoeden dat er in die periode sprake is van een hefboomwerking. Door negatieve invloeden kan een puber gemakkelijk in een neerwaartse spiraal terechtkomen, maar positieve ervaringen kunnen juist de basis leggen voor gezond sociaal-emotioneel gedrag tijdens het verdere leven. Daarmee is de puberteit een tipping point: een klein duwtje de ene of juist de andere kant op kan de balans totaal doen omslaan.’

Die notie is van wezenlijk belang voor opvoeding en onderwijs, zo betoogt Dahl. In die vroege puberteit kan er bijvoorbeeld een rol zijn weggelegd voor een wijze, persoonlijke ‘mentor’. Dahl: ‘Maar juist in de puberteit laten we kinderen los. Met persoonlijke begeleiding beginnen we vaak als het al te laat is.’

 

Zelfcontrole

Al te strakke begeleiding is echter ook niet verstandig, zoals hij eerder aangaf, want juist dat grensverleggende gedrag levert nuttige leerervaringen op. Wat is dan de oplossing? ‘Geef pubers stapsgewijs meer vrijheid en verantwoordelijkheden,’ antwoordt Dahl. ‘Laat ze zelf ontdekken, maar bied ze een steeds ruimer kader waarbinnen ze dat mogen doen.’

Als voorbeeld noemt hij het leren autorijden. In Amerika experimenteren sommige staten met een voorwaardelijk, beperkt rijbewijs, waarbij jongeren ieder jaar iets meer mogen, maar alleen als ze hun dossier vlekkeloos houden. Zo leren ze geleidelijk hun zelfcontrole te verbeteren. Dat principe zou volgens hem ook op andere terreinen kunnen helpen. ‘Het gaat erom,’ zegt hij, ‘dat je pubers geen taken geeft die een mate van zelfcontrole vereisen die ze op dat moment gewoon nog niet hebben.’

Het klinkt allemaal heel logisch, geeft hij toe. Maar toch baseren we ons in opvoeding, onderwijs en ook rechtspraak vaak op ‘waarheden’ die in werkelijkheid veel gecompliceerder liggen. ‘Mijn bijdrage aan het debat is ontdekken wat de puberteit nu zo anders maakt.’

 

Laat naar bed

Een van de bijzondere speerpunten van Dahls werk is zijn onderzoek naar slaap en puberteit. In de puberteit veranderen ons slaapritme en onze biologische klok. De behoefte aan slaap neemt in die periode toe, doordat er lichamelijk en geestelijk grote veranderingen plaatsvinden. Tegelijkertijd hebben pubers een biologische neiging om steeds later naar bed te gaan: een vierde paradox van de puberteit. Tweehonderd jaar geleden, toen we nog bij kaarslicht leefden, was dat niet zo erg: ’s avonds was er toch niet zoveel te doen. Maar nu is dat anders. Dahl: ‘Voor ons onderzoek bellen we pubers regelmatig om elf uur ’s avonds op om te vragen wat ze dan aan het doen zijn. Vaak zijn ze aan het chatten met drie vrienden tegelijk, ze bekijken een muziekvideo via internet, de tv staat aan en ze zijn ook nog met hun huiswerk bezig. ’s Nachts houden ze natuurlijk hun mobiel bij de hand, want stel je voor dat ze een sms-je missen: dan zouden ze op school niet kunnen meepraten.’

En dan beginnen sommige Amerikaanse scholen al om half acht ’s ochtends. Leerlingen komen te laat, vallen tijdens de les in slaap, zijn snel geïrriteerd en slecht geconcentreerd, en behalen matige resultaten. ‘Er is een experiment gedaan in een gemeente in Kentucky,’ vertelt Dahl, ‘waarbij scholen een halfuur later begonnen. Het percentage leerlingen dat minstens acht uur per nacht sliep, steeg van 30 naar 50 procent. De schoolresultaten verbeterden aanzienlijk. Bovendien nam het aantal auto-ongelukken onder de leerlingen met 16 procent af, terwijl dat elders in de staat juist met 6 procent toenam.’

Moeten we de luie pubers niet gewoon eerder naar bed sturen? ‘We moeten beide wegen bewandelen,’ meent Dahl. ‘Zulke beleidsmaatregelen, in dit geval het aanpassen van schooltijden, moeten altijd samengaan met gerichte sturing. Maar de realiteit is nu dat een op de drie pubers een chronisch slaaptekort heeft. Dat heeft grote gevolgen voor leren, geheugen en gedrag.’

 

Omslag

Om de theorie van het kansrijke window te onderbouwen, onderzoekt Dahls lab in Pittsburgh het effect van gedragstraining in de vroege puberteit. Het is een interventie-experiment met controlegroepen en groepen die een intensief programma volgen om gezond gedrag te ontwikkelen op een aantal terreinen, waaronder slaap. Het programma bestaat uit een combinatie van gesprekken en oefeningen.

Slaap, zo stelt Dahl, beïnvloedt niet alleen leren en geheugen, maar ook de sociaal-emotionele ontwikkeling. ‘Iemands slaappatroon is een voorspeller van de kans op depressies en angststoornissen,’ zegt hij. ‘Het hoeft geen oorzakelijk verband te zijn, maar de correlatie is er. Het experiment is nog gaande, maar de kinderen die de slaaptraining volgen, gaan in elk geval meer slapen. Ik vermoed sterk dat zij emotioneel weerbaarder zullen blijken.’

Moeten alle kinderen dan standaard in therapie? ‘Welnee,’ zegt Dahl, ‘maar dit maakt wel duidelijk dat begeleiding een groot verschil kan maken in een wereld die voor pubers erg druk en onrustig is. Ouders, leraren en ook beleidsmakers kunnen daar hun voordeel mee doen.’

Wetenschap heeft zeker niet alle antwoorden, benadrukt hij, maar als we de interacties tussen biologische en sociaal-emotionele factoren beter begrijpen, dan kunnen we onze attitudes en ons beleid daarop aanpassen. ‘Kijk maar naar de enorme omslag in hoe we als maatschappij tegen roken aankijken,’ besluit hij. ‘Marlboro Man is tegenwoordig allang niet meer stoer. Misschien zijn weinig slapen en non-stop bezigzijn dat over dertig jaar ook wel niet meer.’

 

[kader]Ronald E. Dahl

 

1957    Geboren in Pennsylvania, VS

1984    Artsexamen met afstudeeronderzoek naar slaap, University of Pittsburgh

1987    Kinderartsexamen, Duke University

1988    Directeur van het Sleep and Neurobehavioral Laboratory, University of Pittsburgh

2003    Hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, University of Pittsburgh

2009    Gasthoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign